Latin America Magazine.
 

Van Roofbouw naar Opbouw

26-04-2019 by Wil Heeffer

De eerste honderd dagen van het presidentschap van Andrés Manuel López Obrador (AMLO voor intimi) als president van Mexico zijn voorbij. Dat is niet zonder slag of stoot gegaan. Om maar twee wapenfeiten te geven: López Obrador zet vol in op corruptie. Van bovenaf wil hij die bestrijden door zware sancties maar het probleem verdwijnt op termijn pas echt als er sprake is van een nieuwe politieke ethiek. Daartoe heeft hij een herziene uitgave uitgebracht van La Cartilla Moral, een boekje dat werd geschreven door Alfonso Reyes in 1944.

De herziene uitgave van La Cartilla Moral is een soort politieke ‘catechismus’ waarmee hij het doen en laten van mensen en met name jonge mensen wil transformeren. Transformatie is het centrale begrip binnen de Mexicaanse filosofie.

Daarnaast schreef López Obrador een brief aan de paus en de koning van Spanje met de vraag om excuses aan te bieden voor wat de Mexicanen – en dan specifieker de Azteken – 500 jaar geleden is aangedaan. De koning heeft die brief meteen terzijde geschoven terwijl de paus vanuit afschuw wat de katholieke Spanjaarden toentertijd hebben aangericht, deemoedig zijn verontschuldigingen aanbood.

De invasie van de Spanjaarden en Portugezen leidde niet alleen tot een kennismoord en tot genocide, maar ontnam de bevolking in een proces dat eeuwen duurde, ook hun identiteit. De kolonisatie leidde tot de colonidad, nog altijd het grote thema als het gaat over herstel van eigenwaarde en over ontworsteling aan westerse dominantie.

Van Roofbouw naar Opbouw 

Over die zoektocht naar eigen identiteit waarbij de bevrijdingsfilosofie een centrale plaats inneemt, gaat het nieuwe boek van Wil Heeffer: Van Roofbouw naar Opbouw, oorsprong en ontwikkeling van de Latijns-Amerikaanse filosofie. Het werd uitgegeven door de Internationale School Voor Wijsbegeerte in Leusden.

Over de Latijns-Amerikaanse filosofie is in ons land weinig bekend. Wie kent er José Martí of Enrique Dussel? Dat zijn zeer invloedrijke denkers die eens niet vanuit een Europees gedachtegoed vertrekken. Latijns-Amerikaanse filosofie is bevrijdingsfilosofie. Het is een denken dat zich bewust is van zijn koloniale verleden én van zijn eigen wortels.

Het gaat Martí en Dussel om een denken dat zich fundeert op een ‘wij’, het erfgoed van moeder aarde, la Pachamama. Aan de hand van Dussel ontwikkelt Wil Heeffer een filosofie die ons een breder perspectief op de wereld geeft. Op naar een betere wereld, ditmaal zonder slaven en barbaren. Een wereld van Buen vivir, zonder economische dwang, waarin het leven in alomvattende zin centraal staat en waarin de politiek tot doel heeft om mens en natuur veilig te stellen. Te idealistisch? Wil Heeffer denkt van niet. Leve de cosmovisión!

Hieronder volgt een voorpublicatie van het boek

Inleiding

Over de Latijns-Amerikaanse filosofie is in ons land weinig bekend. Er zijn wel instituten die zich met Latijns-Amerikaanse studies bezighouden zoals het Centrum voor Studie en Documentatie van Latijns-Amerika (CEDLA) in Amsterdam en er zijn wat verspreide publicaties op het gebied van de geesteswetenschappen. Zo schreef Miriam van Reijen in haar proefschrift Het Argentijnse gezicht van Spinoza over de receptie van Spinoza aldaar en publiceerde Ton Lemaire De indiaan in ons bewustzijn. Daarnaast is er met name vanuit de Katholieke Universiteit Leuven sprake van enige wisselwerking met denkers uit Latijns-Amerika en schreef Susana Monreal over de invloed van Christian Friedrich Karl Krause op het denken van Latijns-Amerikaanse filosofen. 

Publicaties van de Cubaan José Martí of van de Argentijn Enrique Dussel zijn in ons land echter nauwelijks of niet bekend. Toch behoren zij in Latijns-Amerika tot de meest gelauwerde denkers. Slechts het dagblad Trouw heeft in 2012 middels een interview wat aandacht aan Enrique Dussel gewijd, doch daar bleef het bij. 

Trekken we de receptie van Latijns-Amerikaanse denkers wat verder na, dan zien we dat er in de jaren zestig aanvankelijk met enthousiasme op het nieuwe socialisme in Latijns-Amerika werd gereageerd. Het revolutionaire elan van Fidel Castro en Che Guevara maakte indruk en hun roep om medemenselijkheid vond niet alleen in Nederland maar ook elders in het Westen een gunstig gehoor. Het werd gevoed door een anti-Amerikanisme dat onder andere voortkwam uit de Vietnamoorlog en uit de rechteloosheid van de zwarte onderklasse. Gebeurtenissen die linkse studentenleiders inspireerden tot een revolte tegen de gevestigde orde. Che Guevara werd in linkse kringen op het schild gehesen en het charisma van Fidel Castro kreeg glans. Doch korte tijd nadien werd er over Castro alleen nog maar in negatieve zin gesproken. Hij werd beschouwd als een baardige duivel die zich had bekeerd tot een foute ideologie. Che Guevara bleef daarentegen de immer jonge held en werd – ofschoon hij stierf als een wat naïeve idealist – een cultfiguur.

De linkse wind die vanuit Latijns-Amerika even tot stormkracht was aangewakkerd, ging liggen. Ook eens opzienbarende denkers zoals Ivan Illich (schrijver van Ontscholing van de maatschappij en Het recht op nuttige werkeloosheid) en Paulo Freire, de onderwijsvernieuwer en schrijver van het boek Pedagogie van de onderdrukten, raakten in vergetelheid. Zij werden, net als zoveel andere Latijns-Amerikaanse publicisten, na kortstondige toejuiching bijgezet op het ereveld van geitenwollensokkendragers. Wat zij schreven en uitdroegen, rook alternatief. Het had de geur van communisme waarover Marx en Engels hoopvol in hun Communistisch Manifest van 1848 hadden geschreven: ‘Een spook waart door Europa – het spook van het communisme.’

Even nog lichtte in het laatste kwart van de twintigste eeuw de belangstelling op over wat de Latijns-Amerikaanse bevrijdingstheologie werd genoemd, maar die beweging raakte vanwege de angst dat haar maatschappijkritisch denken in politieke actie zou worden omgezet, door het ingrijpen met een verbod door de Kerk van Rome vleugellam.

Ofschoon het westerse denken zich in de tijd daarna nauwelijks nog verdiepte in wat er op op het vlak van de filosofie in het Spaans- en Portugeestalig gebied ten zuiden van de ‘muur’ tussen Mexico en de Verenigde Staten gebeurde, ontwaakte daar vanuit verzetsbewegingen een nieuwe filosofische stroming. Met name Enrique Dussel legde een bom onder het fundament van de filosofie die het denken buiten Europa had gekoloniseerd, onder een wetenschapsdomein waaraan Grieks-christelijke zienswijzen over mens en natuur ten grondslag lagen. Dussels filosoferen zette in op een bevrijding uit opvattingen over rationaliteit en groei die, vanuit een eurocentrisme, wereldwijd zo’n sturende invloed hadden gehad op mens- en maatschappijbeschouwing. De bevrijdingsfilosofie werd de kiemcel van waaruit de wijsheid van oude beschavingen in Zuid-Amerika opnieuw ontsproot: de levensvisie dat wij allen kinderen zijn van moeder aarde, van la Pachamama. Het leidde binnen de Latijns-Amerikaanse filosofie tot een andere visie op de geschiedenis van de filosofie die tevens als een filosofie van de geschiedenis werd uitgewerkt.

Niet langer volgden de Latijns-Amerikaanse filosofen de ster van het Westen, maar daalde het oude besef over kosmos, mens en natuur in hen neer. Begrippen uit oude talen werden gerevitaliseerd en
vormden het uitgangspunt bij de zoektocht naar eigen antwoorden op levensvragen. Daarmee is de bevrijdingsfilosofie tegelijkertijd een oude en een erg jonge wetenschap. Oud – voorchristelijk – omdat zij zich baseert op het erfgoed van de precolumbiaanse beschaving en jong, omdat er, na een vier eeuwen durende Spaanse en Portugese dominantie, in de twintigste eeuw inzicht in eigen identiteit ontstaat.

Latijns-Amerikaanse filosofen funderen hun ontologie op een mensvisie waarin het wij – cogitamus – centraal staat en op een cyclische opvatting van groei en ontwikkeling. Een mensvisie die zich afwendt van een westerse visie waarin het ik zo centraal is komen te staan en waarbij groei en ontwikkeling als een lineair proces worden opgevat. Zij geven daarmee een andere invulling aan het geheel van gedragingen en handelingen die zowel correct als wenselijk worden geacht. Bij Aristoteles was goed leven en goed handelen het doel van de moraal. In het Latijns-Amerikaanse denken krijgt dat buen vivir vanuit politiek geëngageerde opvattingen een invulling waarin het leven (la Vida) en de aarde (la Pachamama) de focus vormen.

José Martí karakteriseerde aan het eind van de negentiende eeuw de essentie daarvan als ‘met allen voor het welzijn van allen’ (‘con todos para el bien de todos’) om de bestaanszekerheid van allen te waarborgen.
De hedendaagse Latijns-Amerikaanse filosofie wordt gekenmerkt door een vrijmoedig spreken vanuit een politiek engagement. Het is een filosofie die vanuit een eigen vertrekpunt het Zijn verkent om de ethiek die daaruit voortkomt in doen en laten te implementeren. Het dagelijks leven van onderdrukten – zoals dat nog altijd doorwerkt in achtergestelde, gedekoloniseerde landen – is daarbij de toetssteen van de theorie.

Dat die Latijns-Amerikaanse filosofie de kinderschoenen is ontgroeid, blijkt onder andere uit de verschijning van een drietal naslagwerken: El pensamiento filosófico latinoamericano del Caribe y ‘Latino’ (1300-2000), Historia, Corrientes, temas y filósofos, Siglo XXI; Historia del pensamiento filosófico latinoamericano, Una búsqueda incesante de la identidad en de Enciclopedia Iberoamericana de Filosofía, Obra completa.

Vooral deze laatste Obra completa, een uit een dertigtal delen bestaand werk dat in 2017 verscheen, is een monument waaraan in de voorbije vijfentwintig jaar zo’n vijfhonderd filosofen hebben meegewerkt. Het is net als de twee andere werken een voorbeeld van compilaties waarin de eigen identiteit van het Latijns-Amerikaanse denken is vastgelegd, een stem waarvan het belangrijk is dat die wordt gehoord en wordt betrokken in een interculturele dialoog over grondwaarden van het leven. Over la Vida, zoals Dussel daarover spreekt en schrijft.

Niet langer is het de stem van denkers die achteraan in de rij aansluiten, niet langer is het enkel een stem van vuur zoals die eerder klonk in de Latijns-Amerikaanse poëzie met dichters als Pablo Neruda en schrijvers als Eduardo Galeano of zoals die stem klonk uit de mond van zangers als Mercedes Sosa en Atahualpa Yupanqui. Maar het is de uiting van een zich bewust zijn van eigen identiteit zoals de zwarte Cubaan Nicolás Guillén dat verwoordde in zijn gedicht:

Problemen van onderontwikkeling

Monsieur Dupont acht je beschaving niet hoog
omdat je niet weet welke kleinzoon
de lieveling was van Victor Hugo.
Herr Müller schreeuwt ontzettend hard
omdat je niet weet op welke dag
(precies) Bismarck gestorven is.
Je vriend mr. Smith
Engelsman of yankee, dat weet ik niet
wordt laaiend wanneer hij het woord SHELL ziet
(Want jij schijnt het te schrijven met één L,
terwijl je het bovendien uitspreekt als SJEL).
Goed, nou en?
Wanneer het jouw beurt is
laat hen dan eens zeggen Cacarajicara
en vraag hen waar ligt de Aconcagua
en vraag hen wie was Sucre
en vraag hen waar op deze wereld
stierf José Martí.
Een verzoek:
zorg dat ze antwoorden in het Spaans.

Het boek van Wil Heeffer Van Roofbouw naar Opbouw is momenteel te koop

reageren