Latin America Magazine.
 

Opgejaagd door het verleden

24-11-2018 by Jasper Vervaeke

De verhalenbundel De geliefden van Allerheiligen vormt de bron van Juan Gabriel Vásquez’ oeuvre. Wat blijkt? Het verteltalent van de Colombiaanse succesauteur is ontsprongen in de Belgische Ardennen.

De geliefden van Allerheiligen verscheen oorspronkelijk in 2001, lang voor Vásquez’ bejubelde romans Het geluid van vallende dingen en De vorm van ruïnes. Op de eerste Colombiaanse uitgave stond een afbeelding van Les amants van de Belgische schilder René Magritte. Die cover was goed gekozen. Net als de met lakens bedekte, kussende minnaars van Magritte, spelen de geliefden uit Vásquez’ verhalen graag verstoppertje. Bovendien rijmt liefde zowel bij de schilder als bij de schrijver vaak op dood. Volgens sommigen verwijzen de witte lakens op Magrittes schilderij naar de dood van zijn moeder, die zichzelf in haar witte nachtjapon verdronk in de Samber; even ten zuidoosten van die rivier ontstonden Vásquez’ verhalen over liefde, eenzaamheid en dood.   

Vásquez woonde in 1999 negen maanden in Xhoris, een gehucht nabij Aywaille, even onder Luik. Hoe raakt een jonge Colombiaan zo diep in de Ardennen verzeild? Op drieëntwintigjarige leeftijd had Vásquez zijn geboortestad Bogotá verruild voor Parijs met maar één doel voor ogen: schrijver worden. Tweeënhalf jaar later had de Europese droom al meer weg van een nachtmerrie. Het doctoraat in de letterkunde – het voorwendsel voor het verblijf overzee – draaide uit op een fiasco en de twee romans die Vásquez in Parijs schreef, wilde hij vlak na publicatie alweer vergeten. Tot overmaat van ramp kampte hij met ernstige gezondheidsproblemen. Fysiek kwam hij erbovenop; mentaal was hij overmand door spleen.

Op dat dieptepunt boden vrienden van zijn familie hem aan om te ‘herbronnen’ in hun huis in de Ardennen. Vásquez dompelde zich helemaal onder in de boeken  en de bossen. Hij las daar als een bezetene (onder andere de verhalen van James Joyce en Alice Munro) en ging jagen, paardrijden en vissen met de locals. Gaandeweg viel alles als vanzelf in de plooi: hij kreeg inspiratie voor een verhalenbundel, trouwde en verhuisde vlak voor de eeuwwisseling naar Barcelona, waar hij boek na boek zou uitgroeien tot een van de belangrijkste Spaans-Amerikaanse schrijvers van zijn generatie.

Vásquez verwerkte de ervaringen uit Frankrijk en België in de zeven verhalen van De geliefden van Allerheiligen. In het titelverhaal probeert een koppel de op handen zijnde breuk te bezweren tijdens een jachtpartij. Het uitje in de kille bossen blijkt de zoveelste manier om elkaar te begoochelen en vormt de voorbode voor een lange, macabere Allerheiligennacht.

Het motief van de jacht loopt ook door ‘De huisgenoot’ heen, het verhaal van een tragische ménage à trois. Hoofdpersonage Georges weet dat zijn vrouw hem ooit bedroog met zijn beste vriend Xavier, maar heeft besloten om de pijnlijke episode uit zijn geheugen te wissen omwille van de lieve vrede. Op die manier slaagt hij erin om zijn huwelijk en de vriendschap met Xavier te redden, totdat een fataal voorval tijdens een jachtpartij hem doet beseffen “hoe moeilijk de pijn van het verleden was, en de herinnering aan die pijn, de vervelende nasmaak, alsof in de zomer je kleren in het gras hebben gelegen en je nek en rug daarna nog de hele dag jeuken.”

De meeste personages uit de bundel leven vastgeklampt aan hun routines en rancunes. Zo voelt Madame Michaud uit ‘De terugkeer’ een ziekelijke liefde voor het landgoed van de familie. Wanneer de aanstaande van haar zus er zijn oog op laat vallen, aarzelt ze niet om hem dodelijk te vergiftigen. Terwijl Madame Michaud haar decennialange straf uitzit, zint haar zus op wraak. ‘De huisgenoot’ is het kortste verhaal van de bundel en zonder twijfel het meest perfecte. Op nauwelijks negen bladzijden verwoordt Vásquez het drama van twee mensenlevens. Hij beschrijft het met zoveel empathie en zin voor detail, dat het na een lectuur van amper tien minuten voelt alsof je een dikke roman dichtslaat.  

Het is Vásquez te doen om hoe de doden blijven voortleven in het verdriet, de wrok of de wroeging van de nabestaanden.

In de andere verhalen gunt Vásquez zichzelf meer ruimte. Het laatste en langste, ‘Het leven op het eiland Grímsey’, is bijna een novelle. Oliveira, zoon uit een rijke familie van paardenfokkers, doet afstand van de nalatenschap van zijn vader. Hij kiest voor de vrijheid en beleeft een onenightstand in een hotel langs de Franse snelweg. De op het eerste gezicht onschuldige ontmoeting krijgt een beladen karakter wanneer blijkt dat gelegenheidsgeliefde Agatha belaagd wordt door een geest uit het verleden. Eens te meer vormt de dood niet de clou, maar de kiem van het verhaal. Het is Vásquez immers te doen om hoe de doden blijven voortleven in het verdriet, de wrok of de wroeging van de nabestaanden.

Het idee dat het verleden vaststaat noch voorbijgaat zou Vásquez na De geliefden van allerheiligen systematisch toepassen op de geschiedenis en het heden van zijn thuisland. Ook de schimmige sfeer waarin zijn latere romans baden, vloeit rechtstreeks voort uit deze vroege bundel. Over alle verhalen hangt dezelfde donkere wolk, dezelfde dichte nevel. En toch heeft Vásquez’ ingetogen toon een troostende werking. Een bundel die je door de herfst en winter helpt.

Juan Gabriel Vásquez, De geliefden van Allerheiligen, Signatuur, Amsterdam, 2018.

reageren